Actueel nieuwsitem

Toezicht op deurwaardersbranche blijft noodzakelijk

Afgelopen week ging een deurwaarderskantoor failliet en werd een andere deurwaarder uit zijn ambt gezet omdat de derdengelden niet meer volledig aanwezig waren. Het gevolg van beide is dat de door deze deurwaarders geïnde gelden niet meer bij de rechthebbenden terechtkomen. Dit roept de vraag op hoe zoiets eigenlijk kan gebeuren. Is er dan geen toezicht op deurwaarders?

Er zijn twee vormen van toezicht op de beroepsgroep gerechtsdeurwaarders. Er is wettelijk toezicht dat van toepassing is op alle gerechtsdeurwaarders en er is (strenger) vrijwillig toezicht, waaronder alleen deelnemers aan het Garantiefonds Gerechtsdeurwaarders vallen. Groenewegen en Partners Gerechtsdeurwaarders is ook deelnemer aan dit fonds.

Wettelijk toezicht
Het wettelijk toezicht wordt uitgevoerd door het Bureau Financieel Toezicht (BFT), het bureau dat ook het toezicht op de notarissen houdt. Het BFT houdt de financiële positie van de deurwaarders in de gaten en ziet erop toe dat de geïnde gelden (de zogenoemde “derdengelden”) ook daadwerkelijk op de rekening staan. Daartoe is de deurwaarder verplicht een afzonderlijke bankrekening (een “kwaliteitsrekening”) te hebben, waarvan hij het geld niet voor zijn kantoor of zichzelf mag gebruiken. Het BFT ziet erop toe dat er op die kwaliteitsrekening voldoende saldo staat. Voor gerechtsdeurwaarders die er wat minder florissant voor staan, kent het BFT de categorie “oplettend toezicht”. De echte risicogroep daarin valt onder wat het BFT noemt “verscherpt toezicht”. Sinds 2005 vallen er steeds tussen de 10 en 20 gerechtsdeurwaarders in deze categorie. Omdat het BFT niet publiceert om wie het gaat, loopt een onbekend aantal rechthebbenden risico zonder dit te weten. Het BFT waarschuwt daarbovenop voor het risico van te royaal voorschieten van kosten voor opdrachtgevers (“voorfinanciering”). Volgens het laatste jaarverslag beoordeelt het BFT die voorfinanciering al sinds 3 jaar bij tenminste 1/3 van alle gerechtsdeurwaarders als een hoog risico.

Garantiefonds Gerechtsdeurwaarders
Naast het wettelijk toezicht is al in 1998 het Garantiefonds Gerechtsdeurwaarders (GGDW) opgericht. Oud-minister Ed Nijpels - die als kamerlid al in 1980 in een motie pleitte voor het wettelijk regelen van de positie van de gerechtsdeurwaarder – is al vanaf de oprichting voorzitter van het Fonds. Bij het GGDW zijn deelnemers aangesloten, die gezamenlijk meer dan 80 vestigingen in Nederland hebben. De deelnemende kantoren vormen daarmee ongeveer vijftig procent van de deurwaardersbranche. De deelnemers verplichten zich om bij het faillissement van één van hen financieel bij te springen zodat alle klanten van dat kantoor gecompenseerd kunnen worden. Om deze garantie waar te kunnen maken worden aan deelnemers zware eisen gesteld. In de eerste plaats is dat een liquiditeit van 125%. Kort gezegd betekent dit dat er op de bankrekening van een deelnemend kantoor een kwart meer aan geld moet staan dan wettelijk is vereist. In de tweede plaats is een solvabiliteit van dertig procent vereist. Dit betekent dat het eigen vermogen van een deelnemend kantoor bijna 1/3 van het balanstotaal moet zijn. De deelnemers worden verder gecontroleerd op de kwaliteit van hun risicobeheersing en kantoororganisatie. Een daarvoor speciaal benoemde accountant bewaakt dat de kantoren blijven voldoen aan de eisen en komt regelmatig langs om alle boeken in te zien.

Strenge eisen
De eisen van het Garantiefonds Gerechtsdeurwaarders zijn zo streng dat niet alle aspirant deelnemers daaraan kunnen voldoen. “We krijgen nogal eens een aanvraag die we moeten afwijzen”, zegt voorzitter Nijpels. Hij zou best meer deelnemers willen hebben, maar de eisen verlagen wil hij onder geen beding. “We moeten voorkomen dat er zwakke broeders bijkomen”. Kantoren die het GGDW-keurmerk voeren, moeten zich doorlopend bewijzen. In de afgelopen 12,5 jaar heeft het Garantiefonds één keer een deelnemer moeten schrappen.  Niet door een faillissement, maar doordat de deelnemer niet meer aan de eisen kon voldoen. Fondsdeelnemers moeten elk jaar hun jaarcijfers laten zien en ook in de loop van het jaar informatie aan de fondsaccountant verstrekken. En ze lopen doorlopend de kans dat het team van accountants het kantoor komt controleren. Zo’n controle pleegt meerdere dagen te duren. Alle kosten van het Garantiefonds - dus ook de kosten van die controles - worden door de deelnemende kantoren zelf betaald en niet doorberekend aan de klanten. Nijpels : “GGDW-deelnemers zijn daardoor niet duurder dan andere deurwaarderskantoren”. Waarom ze bereid zijn die kosten zelf te dragen ? “Voor de Fondsdeelnemers is het commercieel aantrekkelijk onderdeel uit te maken van een geheel met een keurmerk dat garant staat voor financiële topkwaliteit. Aangesloten deurwaarderskantoren zijn nogal trots het GGDW-logo op hun briefpapier te kunnen voeren. En cliënten weten dat zij bij een eventueel faillissement van één van onze deelnemers hun geld niet kwijt zijn”, aldus Nijpels.
 

Bekijk sitemap +-